Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV3916

Datum uitspraak2006-03-08
Datum gepubliceerd2006-03-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200503057/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 31 januari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) een vergunning verleend voor de sloop van het pand Waterloostraat 107 te Rotterdam.


Uitspraak

200503057/1. Datum uitspraak: 8 maart 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak no. VEROR 03/2193 van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2005 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. 1.    Procesverloop Bij besluit van 31 januari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) een vergunning verleend voor de sloop van het pand Waterloostraat 107 te Rotterdam. Bij besluit van 6 juni 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 februari 2005, verzonden op 24 februari 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 april 2005, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 5 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 29 juli 2005 heeft het college van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek heeft het college bij brief van 5 december 2005 een nadere reactie ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2005, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Kuipers, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken in het geding gebracht. 2.    Overwegingen 2.1.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat, omdat appellant geen andere belangen heeft gesteld maar slechts een principiële uitspraak wenst in verband met het gemeentelijk beleid voor het gebied waarin het gesloopte pand stond en ook zijn pand staat, geen sprake is van een procesbelang. 2.2.    Appellant stelt dat hij door de sloop van het betreffende pand in een beschermd stadsgezicht als eigenaar van het pand [locatie] in zijn (financiële) belangen is geschaad. 2.3.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat, waar het beroep van appellant erop is gericht een principieel rechterlijk oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van het besluit opdat de mogelijke toekomstige besluitvorming in het betrokken gebied zorgvuldiger zal verlopen, hierin geen concreet belang is gelegen dat appellant rechtstreeks raakt. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hij schade lijdt bestaande uit een algemene waardedaling van alle panden, waaronder het zijne, in de omgeving van het gesloopte pand, heeft hij niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat van een dergelijke waardedaling ten gevolge van de sloop sprake is en evenmin waaruit in zijn individuele geval de schade bestaat. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat het beroep van appellant wegens het ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk is. 2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Aan een beoordeling van hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd komt de Afdeling onder deze omstandigheden niet toe. 2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat. w.g. Claessens    w.g. Groenendijk Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006 164-496.